Holland Baroque Society's nieuwe dubbel-cd La Cetra met Rachel Podger gooit hoge ogen
DONDERDAG 24 MEI 2012
Dé website voor liefhebbers van klassieke muziek .
Column - Muzikale Komeet
Toen Itzhak Perlman in 1972 zijn opname maakte van de Caprices van Paganini droeg hij die op aan Michael Rabin, de Amerikaanse violist die in zijn tijd werd gezien als een nieuwe Jascha Heifetz. Dit etiket was natuurlijk aardig voor zijn publiciteit, maar stelde tegelijkertijd een onmogelijke opgave. Je zult het maar moeten waarmaken. Aanvankelijk lukte het de nogal schuwe Rabin, geboren in 1936, heel goed. Hij speelde briljant, maakte al op zijn veertiende zijn debuut in Carnegie Hall en toerde in de jaren vijftig over de hele wereld. Rabins carrière zou echter niet lang duren. Er kwam op tragische een einde aan in januari 1972. Rabin was pas 35 en had al jaren niet meer in het openbaar gespeeld. Hoewel hij inderdaad net zo’n verbluffende virtuoos was als Heifetz, lukte het hem in het laatste decennium van zijn leven niet om fysiek en mentaal overeind te blijven. De druk van het hectische bestaan van een topmuzikant werd hem teveel. Hij raakte verslaafd aan medicijnen en uiteindelijk ook aan drugs. Er was ge redden meer aan. Er gingen geruchten dat hij een eind aan zijn leven zou hebben gemaakt. Andere bronnen meldden dat hij in zijn appartement in New York was uitgegleden en met zijn hoofd op een tafel terechtkwam. Hoe het zij: iedereen was ontzet. Hoe was het toch mogelijk dat zo’n groot talent slechts kortstondig kon schitteren? Wat resteert zijn de vele opnamen die Rabin tot en met 1960 in New York, Hollywood en Londen voor Capitol, Angel en EMI heeft gemaakt. En niet te vergeten de gefilmde optredens die nu via YouTube zijn te zien. Fascinerende documenten. Zijn leermeester Ivan Galamian zei dat hij nooit een betere leerling had gehad. Rabins zwakke punten? Die waren er niet! Als je de concerten van Paganini, Wieniawski, Tsjaikovski, Mendelssohn, Bruch en Glazoenov beluistert, hoor je een bijna onmenselijke, genadeloze precisie. In de 24 Caprices van Paganini en twee solosonates van Ysaÿe hetzelfde beeld. In de korte uitsmijters van Ravel, Saint-Saëns en De Sarasate, plus de door Kreisler, Heifetz en Szige bewerkte bonbons, is Rabin onweerstaanbaar. Verbijsterend virtuoos en intens muzikaal. Toch biedt een recente EMI-box maar een beperkt zicht op zijn actieradius. Rabin had Bartók ontdekt, die hij toevoegde aan de drie grote B’s: Bach, Beethoven en Brahms. Hij gaf eerste uitvoeringen van vioolconcerten van Richard Mohaupt en Paul Creston en wist ook hoe je met Schubert moest omgaan (zie dat helaas korte fragment van een Carnegie Hallrecital op YouTube). Zijn bekentenis – “wij solisten zijn niets anders dan de slaaf van ons instrument” – kondigde echter al het onheil aan dat hem nauwelijks tien jaar later zou treffen.
De jonge Nederlandse violiste Marlene Hemmer vergelijken met een fenomeen als Rabin is natuurlijk niet fair. Al vraagt ze er bijna om doordat ze op haar laatste cd in dezelfde vijver vist met operabewerkingen van Paganini (Rossini), Wieniawski (Gounod) en De Sarasate (Bizet), aangevuld met een paar van die heerlijke arrangementen van Heifetz en Kreisler. Met haar broer aan de vleugel slaat zij zich er met allure en stijlvol doorheen, al mist ze het verbluffende elan van een komeet als Rabin. Het grote voordeel van Hemmers cd is echter dat alles zo schitterend en mooi ruimtelijk klinkt. En dat is ook wat waard, zeker in vergelijking met de kale akoestiek die Michael Rabin rond 1955 moest accepteren in de studio van Capitol in New York.
Hans Heg