VRIJDAG 24 MEI 2013
Dé website voor liefhebbers van klassieke muziek .
In 1997 overrompelde de Noorse toetsenist Bugge Wesseltoft de wereld met 'New Conception of Jazz', een album vol loops, beats, samples en andere elektronica. Nu, 15 jaar later, waagt hij zich voor het eerst aan het ijzeren jazzrepertoire.
Voor zijn nieuwe cd nam Bugge Wesseltoft in zijn eigen studio plaats achter de vleugel en gaf hij een geheel eigen draai aan een handvol liedjes uit The Great American Songbook. Een opmerkelijke carrièremove, want wat kan deze elektronicawizard nog toevoegen aan de duizelingwekkende interpretaties van meesterpianisten als Art Tatum, Bill Evans of Keith Jarrett?
Bugge Wesseltoft glimlacht en laat de vraag even in de lucht hangen voordat hij bekent dat het juist díe vraag was die hem er al die jaren van heeft weerhouden om zich in het openbaar te presenteren als een vertolker van het ‘klassieke’ jazzrepertoire. “Toch ben ik opgegroeid met die muziek,” vertelt hij. “Mijn vader was een jazzgitarist en toen ik 12 was, kreeg ik van hem The Real Book, een standaardwerk waar al die songs in staan. Maar zelfs voor die tijd was ik als jongetje al bezig om, op mijn manier, die liedjes te spelen. Daar ben ik altijd mee doorgegaan. Wanneer ik studeer, dan speel ik stukken als ‘Darn that Dream’ of ‘Like Someone in Love’. Maar tot nu toe altijd thuis en nooit in het openbaar.” Wesseltoft zou niet willen bewering dat die strikte scheiding tussen huiskamer en podium voortkwam uit angst: hij zag er gewoon de zin niet van in om zijn studiemateriaal naar de concertzaal te verhuizen. “Ik ben destijds gaan experimenteren met elektronica, omdat ik niet geloofde in neoclassicistische jazz. k ergerde mij een beetje aan de generatie musici die in de jaren tachtig, keurig in het pak, gewoon de muziek uit de jaren veertig en vijftig na ging spelen. Dus waarom zou ik op de akoestische piano jazzsongs gaan spelen zoals veel van mijn voorgangers ook al hadden gedaan?”
Toch ontstond er in de veertig jaar waarin Wesseltoft ‘off-stage’ met dit repertoire bezig was, iets volkomen eigens. Langzaam maar zeker ontwaakte bij de pianist het besef dat het nieuwe licht dat hij over de zogenaamde ‘standards’ liet schijnen, zo eigen en anders was, dat hij iets zinnigs kon toevoegen aan al het moois dat er al was. Virtuoos machtsvertoon hoef je van hem niet verwachten: Art Tatum overtreffen kan toch niemand. Nee, Wesseltofts spel roept beelden op van een kind dat uit nieuwsgierigheid – ‘hoe werkt dat nou?’ - zijn speelgoed uit elkaar haalt, om het vervolgens heel verrassend op een totaal andere manier weer in elkaar te zetten. De pianist is blij met die vergelijking. “Dat is eigenlijk precies wat ik de afgelopen 40 jaar heb gedaan”, bekent hij. “Eerst de akkoordenschema’s uit mijn hoofd geleerd en daarna zoveel harmonische wijzigingen aangebracht tot ik mijzelf er in terug kon vinden. Ook bij het improviseren blijf ik heel dicht bij de oorspronkelijke compositie. Ik heb een hekel aan pi isten die een song alleen maar als vertrekpunt gebruiken voor een egotrip. Ik zie mijn improvisaties eerder als variaties op de harmonische en melodische structuur van de song.”
Door die aanpak ademt Songs de sfeer van een klassieke pianorecital. Hoeveel, vragen we ons af, ligt er van tevoren al vast en hoeveel ontstaat er spontaan op het podium? “Mijn interpretaties van de liedjes zelf heb ik in de loop der jaren dusdanig uitgedacht en verfijnd dat die iedere avond nagenoeg hetzelfde zijn,” erkent hij. “De variaties die dan volgen heb ik niet uit mijn hoofd geleerd. De vertrekpunten zullen, zoals misschien sommige tussenstations, hetzelfde zijn. Maar dan laat ik mijn fantasie de vrije loop. Ik wals echter nooit bot over de bedoelingen van de componist heen. Ik speel deze stukken niet om te bewijzen hoe goed ik ben, maar omdat ik wil laten horen hoe mooi de liedjes zijn. Want dat is uiteindelijk de enige reden waarom ik deze plaat heb gemaakt.”
Ruud Meijer / KZ 3-2012