WOENSDAG 22 MEI 2013
Dé website voor liefhebbers van klassieke muziek .
Wat is er toch gebeurd met de rol van Amina in Bellini’s opera La sonnambula? Cecilia Bartoli dook in de archieven en ontdekte een kant van de slaapwandelaarster die haar muzikaal en psychologisch in een ander licht zet. Op haar nieuwe cd gaat Bartoli terug naar de tijd van vóór de grote diva’s.
door Willem Veldhuizen
Cecilia Bartoli heeft haar recente project rond Maria Malibran nog vers in het geheugen. Ze raakte tijdens haar ontdekkingsreis naar de vocale legende vooral gefascineerd door een opmerkelijke wijziging in de bezetting van de rol van Amina La sonnambula. Tijdens het leven van de componist gold de hoofdpersoon uit Vincenzo Bellini’s opera als een typische mezzo. Giuditta Pasta zong de première en Maria Malibran vierde grote triomfen met de lyrische solopartij. Tegenwoordig zijn het coloratuursopranen die als Amina de dienst uitmaken. Nauwkeurig onderzoek van het originele handschrift van de opera bracht duidelijkheid: Bellini had de Aminapartij geschreven in een ligging die bestemd was voor een mezzosopraan. Pas later, na de dood van de componist, zijn er op veel plaatsen hoge noten bij genoteerd om ijdele zangeressen de mogelijkheid te geven extra te schitteren. En zo kwam het dat Amina tijdens de grote belcanto-renaissance in het midden van de twintigste eeuw vrijwel uitsluitend door sopranen werd gezongen. Het was de tijd van de stormachtige ontwikkeling van de platenindustrie, van Maria Callas en Joan Sutherland. Bellini zelf had zich zijn slaapwandelende operaheldin anders voorgesteld, met een donkere, warmere stem. Je zou hier met recht kunnen spreken van muziekhistorische geschiedvervalsing.
Cecilia Bartoli brengt daar verandering in. Ze volgt Bellini’s autograaf op de voet en respecteert de originele toonaarden, met uitzondering van drie gedeelten die naar beneden zijn getransponeerd. In twee opzichten is deze opname een bijzonder feit: voor de eerste keer in het fonografi sche tijdperk wordt de titelrol gezongen door een mezzosopraan en voor het eerst speelt het orkest op historische, lager gestemde instrumenten. La sonnambula (1831) dankt haar ontstaan aan de duistere rivaliteit tussen het vermaarde Milanese operahuis La scala en het minder gerenommeerde Teatro Carcano. Bellini’s opera moest het opnemen tegen Donizetti’s koninginnedrama Anna Bolena. Zonder iets ten nadele van het laatstgenoemde werk te zeggen vertelt de overlevering dat de première van La sonnambula op zes maart 1831 een eclatant succes was. Het werk veroverde Londen en Parijs enkele weken na de première en Maria Malibran werd een van de meest toegewijde interpreten van de hoofdrol Amina. In haar kielzog zijn het in de negentiende eeuw o.a. Jenny Lind, Adelina Patti en in de twintigste eeuw Maria Callas en John Sutherland geweest die de vocale fakkel voort droegen. Vooral de laatste was een geweldige ambassadrice voor het belcanto, mede dankzij de niet minder bevlogen inzet van haar echtgenoot, de dirigent Richard Bonyngne.
Kind van zijn tijd
Met het libretto voor La sonnambula, Bellini’s zevende opera, is de componist een kind van zijn tijd. Tegen het einde van de achttiende en gedurende de gehele negentiende eeuw was er een grote belangstelling voor het wonderlijke, het onbegrijpelijke, occulte. Iemand die in staat van somnambulisme is, in het Nederlands anders gespeld, bevindt zich buiten de realiteit. Hij of zij is in een droomtoestand die ergens tussen waken en slapen in ligt. Hoewel La sonnambula is ontstaan in het voor-Freudiaanse tijdvak werd ook in die dagen de connectie tussen dromen en seksualiteit gemaakt. Wanneer de slaapwandelende Amina voor Rodolfo neerzinkt en haar vermeende verloofde omarmt, is dat zeker geen ondubbelzinnig gegeven. Daarbij komt dat men geloofde dat de slaapwandelaar gedurende de droomtoestand helderziend was.
Hoewel Amina zowel overdag als ’s nachts slaapwandelt, is Bellini’s keuze voor de mezzoligging ook psychologisch zeer begrijpelijk. Een lagere vrouwenstem staat symbolisch dichter bij de ‘geheimzinnige’ nacht en is letterlijk donkerder dan een sopraan. Voorts gaf het slaapwandelen de componist de mogelijkheid de gewone formele muziekkaders te overschrijden. Wanneer er een spook ten tonele wordt gevoerd, raken de orkestratie en de harmonie op drift: geestelijke verwardheid in het libretto diende als rechtvaardiging voor gewaagde wendingen in de partituur.
Cecilia Bartoli’s techniek en bereik, haar filigrane coloraturen die met gemak een hoge c aanstippen om daarna weer te verbazen met een bassig borstregister, verlenen de partij een nooit eerder gehoord reliëf. Haar avontuurlijke fantasie waar het articulatie, timing en dynamiek betreft, staat op eenzame hoogte en is van een grote authenticiteit en emotionele waarachtigheid. Daarnaast blijft haar muzikaliteit de hele opera door imponerend en haar charme verleidelijk. Maar een protagonist heeft een antagonist nodig om werkelijk drama te kunnen maken. Juan Diego Flórez beschikt over de slanke, maar ook krachtige stem die nodig is om een tegenspeler van formaat te kunnen neerzetten. Zijn Elvino kan alle concurrentie aan. In het duet ‘Prendi: l’anel ti dono’, op deze opname iets naar beneden getransponeerd,
mengen de stemmen goed en laten beide toekomstige gelieven elkaar in hun vocale waarde. Niet minder belcanto zingt Gemma Bertagnolli als de herbergierster Lisa, die ook gevoelens koestert voor Elvino.
Graaf Rodolfo, een basso cantante, is bij Ildebrando D’Arcangelo in sonore handen. Zijn stem uit één stuk bezit alle lef en discretie die bij zijn karakter horen. Het koor van het Opernhaus Zürich doet duidelijk zijn voordeel met de verworvenheden van de oudemuziekpraktijk. Heldere veelstemmigheid staat voorop. Het koor ‘Qui la selva è più folta ed ombrosa’ wordt met intense tekstbeleving contrastrijk en slagvaardig vertolkt.
Het Orchestra La Scintilla onder leiding van Alessandro De Marchi laat overtuigend horen hoe groot de winst is van een uitvoering op instrumenten uit Bellini’s tijd. Door de veel zachtere en minder briljante toon van de oude strijkinstrumenten spelen de blazers een mooiere en volkomen gelijkwaardige rol in de partituur: de klankbalans is hierdoor zeer verfijnd. En dankzij de alerte directie van Alessandro De Marchi vormt de muziek een ademend, begeleidend klankweefsel dat de zangers in staat stelt om echte pianissimi te zingen. Ook hier ontstaat een veel avontuurlijker geheel dan in veel andere opnamen. De enigszins primitieve vorm waarin de begeleidende muziek bij Bellini is gegoten en die men wel spottend een ‘reuzengitaar’ heeft genoemd, wordt op oude instrumenten rijker, schalkser,
polyfoner en uiteindelijk spannender. De uitgave bevat uiteraard het complete libretto in vier talen en een uitstekend inleidend artikel dat is geschreven vanuit het perspectief van Amina. Daarin wordt het kunstwerk op een brede manier geplaatst in de vroege Romantiek die nog zo sterk verbonden is met de periode van de Weense Klassieken. Dit nieuwe project van Cecilia Bartoli maakt duidelijk dat schoonheid telt in deze barre tijden!